Dirk Leyman, de Morgen, 22 april 09
In de roman Wij, volgt Elvis Peeters de (seksuele) esbattementen van een groep jongeren die alle moraal overboord hebben gezet. Het boek is griezelig accuraat geschreven en daardoor des te schokkender. De beste Vlaamse roman van 2009?
Ze zijn niet zo dik gezaaid, de auteurs die ook aan de kost komen als rocker, performer, vertaler en theaterman en op al die terreinen bovendien waardering en fijne kritieken oogsten. De Vlaamse auteur Elvis Peeters heeft er nooit zijn hand voor omgedraaid. Als een afgetrainde meerkamper blijft hij talloze artistieke disciplines bedrijven.
In de jaren tachtig was Peeters het haantje de voorste van de punkgroep Aroma di Amore en later zette hij zijn schouders onder muzikale projecten als Schnoll en De Legende. Spoedig kwam daar ook de literatuur bovenop. "Na een tijdje bevredigde het schrijven en brengen van rocksongs niet echt meer en wilde ik met de taal wat meer doen", zo noteert hij in zijn biografie op zijn website. Hoorspelen en theaterstukken, verhalenbundels als Calvados (2001) en een roman als Spa (1998) vloeiden aan een gestaag tempo uit zijn pen, steeds in co-auteurschap met Nicole van Bael. Maar voor het grote publiek bleef Peeters in Vlaanderen die hele, lange periode toch een literaire backbencher.
Het mag licht ironisch heten dat nét een Nederlandse jury Peeters’ boeken op de voorgrond tilde. Met De ontelbaren (2006), een pertinente roman over de vluchtelingenthematiek, kwam hij terecht op de shortlist van de Librisprijs, waar zijn boek als "een apocalyptisch ondergangsverhaal" werd geprezen. Zo kreeg Peeters eindelijk waar hij al recht op had: meer lezers.
De kracht van Peeters’ proza ligt in een franjeloze stijl die door zijn uitgepuurdheid een maximaal effect sorteert. Hij koppelt dat vaak aan een verontrustende thematiek. Die combinatie heeft hij tot het uiterste gedreven in zijn nieuwe roman Wij, waarover ongetwijfeld nog flink wat inkt zal vloeien. Neem het van ons aan: de kans is groot dat dit de beste Vlaamse roman van 2009 zal blijken te zijn – wie weet samen met Bart Koubaa’s al even navrante De leraar. Dat het nu al de meest schokkende en radicale is, staat buiten kijf.
Markies de Sade
Je leest dan ook niet elke dag over een tros waanwijze minderjarige jongeren die zich consequent te buiten gaan aan steeds extremere seksuele experimenten. In de inventieve manieren waarop ze allerlei lichaamsopeningen aanwenden om ze op te vullen met pikken, vingers of scherpe objecten, waan je je af en toe in een 21ste-eeuwse variant van de boeken van markies de Sade. De talloze opstoten van perfide geweld registreert Peeters pregnant en droog, wat dan weer Bret Easton Ellis’ American Psycho of het werk van Chuck Palahniuk in herinnering roept. De impact van het boek is evenredig met dat van een serie welgemikte mokerslagen, alsof je net de titelkamp met de bokswereldkampioen zwaargewichten hebt doorstaan.
Wij introduceert een aan elkaar klittend groepje van vier slimme, bijdetijdse jongens en vier meisjes die de waarde en capaciteiten van hun welgevormde lichamen feilloos kunnen inschatten. Ze hebben doodgewone namen als Thomas, Loesje, Karl, Jens, Liesl, Ruth, Sarah of Ena. Soms lijken ze onderling inwisselbaar, al is de voornaamste verteller wel degelijk de "intellectueel" van het kliekje die zijn lectuur van Cioran, Rimbaud, Nussbaum en Murakami in zijn kille verslag integreert. Peeters waakt ervoor dat de ’wij’-vorm als een mantra werkt.
Op een vreemde, achteloze wijze voelen de meisjes en jongens zich tot elkaar aangetrokken en beleven ze lankmoedig "de fysieke fantasie van elkaars lichamen". "Seksualiteit kleefde aan ons als boter aan de galg. We stonden ermee op en gingen ermee slapen, het zat ons in het lijf." Hun schuilhol is een afgelegen schuur achter een elzenbosje. Daar bezitten ze "de eeuwigheid" en houden ze de samenleving op een afstand. Toch blijken ze allerminst wereldvreemd, razend bedreven als ze zijn met technologische snufjes en games. Aan een half woord hebben ze genoeg om hun spelletjes op gang te brengen. Vooral delen ze een drang om de verveling de pas af te snijden: "Het was een verveling die om ideeën vroeg, die een leegte was waaruit een volheid kon groeien. Volgehouden verveling leidt tot een onvermoede begeestering, wanneer je je eraan weet over te geven."
Vileine creaturen
Al vrij vroeg in het boek veroorzaken de meisjes, daartoe aangepord door de jongens, een dodelijk ongeval, louter door op een snelwegviaduct post te vatten en voor voorbijrijdende auto’s hun kut te ontbloten, als vilein geworden creaturen van de schilder Balthus. Schuldgevoelens koesteren ze niet, de op hun gsm gefilmde crashes zijn een bron van hilariteit. Vervolgens gaat het crescendo met hun experimenten, die steeds driester worden om nog een kick te veroorzaken. De jongens neuken om beurten een poes ("Het binnenste van een kat is niet smeriger dan het binnenste van een meisje") of laten met stilzwijgende toestemming van de groep een wesp los op de clitoris en tepels van een van de grietjes. Of er is het escalerende verzetje waarbij ze moeten raden welk voorwerp in anus of schede wordt gestopt: is het een slak, een fietspomp of een kurkentrekker? Dat loopt faliekant af wanneer Femke een ijskoude pegel in haar kut krijgt geschoven en haar hoofd tegen een boom belandt. Toch blijkt de dood van Femke haast een fait divers. Met een lichte toets deleten de groepsleden de gebeurtenis van hun harde schijf, alsof ze een grijsgedraaid liedje van hun iPod wissen. "Het leven bruiste verder, daar kon geen dood ons van weerhouden."
Geleidelijk aan ontstaat onder impuls van de jongens een gesmeerd lopend prostitutienetwerk, waarbij ze perfect inspelen op de wetten van de markt en vernuftig hun winst maximaliseren. De meisjes zijn maar al te bereidwillig om geld in het laatje te brengen. De mannen die in een strak tempo over hen heen gaan, worden gereduceerd tot een stukje lul: "Hun bewustzijn vernauwt zich, tot het zo eng is dat het precies in de gleuf tussen onze benen past." Het dedain voor de sullen spat ervan af. Een keer schreeuwen ze zo’n op een elektriciteitsmast geklommen loser de zelfmoord in. "Zoals neuken zonder zwanger te worden, zo moet je iemand kunnen doden zonder een moordenaar te zijn."
Peeters geeft geen verklaringen voor het gedrag van de tieners. Evenmin is hij belerend. Hij laat hun handelingen in al hun hedonistisch nihilisme voor zich spreken en is daarbij bijzonder accuraat, ook in zijn timing. Sporadisch voegt hij gitzwarte komische elementen toe of een licht elegische toon die bevreemdend werkt.
Dat de groep aan het eind versplintert, is niet onlogisch. Thomas, de opperpooier, moet nieuwe meisjes van buiten de groep rekruteren om de seksuele carroussel draaiende te houden. Dat loopt stroever. Wanneer er zo’n nieuw, ’onervaren’ meisje zwanger wordt, krijgt ze met een baseballknuppel stompen in de buik tot de vrucht afgedreven wordt, in wellicht de gruwelijkste, misselijkmakende scène van het boek.
Hoe loopt het af met deze op hol geslagen welvaartskinderen? Peeters laat het in het ongewisse, een reden te meer waarom Wij maar in je geest blijft malen. Op hun achttiende hebben ze al geleefd op het scherp van de snee, geflirt met de dood en het leven. Maar dat deze genotzoekers zullen blijven verlangen naar extremere kicks, kun je blindelings aannemen: "Wij hoefden niks te bewijzen. Wij deden maar wat, wat ons te binnen schoot."
Daniëlle Serdijn, De Volkskrant 3 april 09
Een van de fijnste verrassingen van het literaire jaar 2005 was De ontelbaren, van de Vlaamse auteur Elvis Peeters. Uitgangspunt van zijn debuutroman was een idee: wat zou er gebeuren als iedereen hetzelfde welvaartspeil probeerde te bereiken. Consequent schetste hij het beeld van een onuitputtelijke migratiestroom, en schreef zo een apocalyptische roman. De toon was licht, poëtisch zelfs, waardoor het spookbeeld alleen maar sterker werd. Het boek verscheen op de shortlist van de Libris Literatuurprijs, en Elvis, zo bleek, schreef niet alleen, maar samen met zijn partner Nicole van Bael.
De nieuwe roman van het schrijversduo Peeters en Van Bael heet Wij. Kennelijk ook een populaire titel, want tezelfdertijd is van Jeroen Olyslaegers een roman verschenen die Wij heet. Niet erg handig, ook al is er mee te leven. Sterker dan de titel is de sticker op de kaft: waarschuwing expliciete roman. Precies zo’n klevertje dat je soms op cd-hoesjes aantreft. Het effect is omgekeerd evenredig. Op een gewaarschuwd mens heeft zo’n sticker een onstuitbare aantrekkingskracht: lezen dat boek!
Wij is het verhaal van een groepje tieners, vier jongens, vier meisjes. In dezelfde heldere stijl als in zijn debuut beschrijft Peeters hoe zij na schooltijd met elkaar optrekken, spelen en rommelen in een nabijgelegen schuur. De kinderen komen uit verschillende milieus, en zitten op verschillende middelbare scholen. Als groep echter opereren ze als één groot organisme. Ze hebben zin in het leven. Onverschrokken en niet gehinderd door volwassen verantwoordelijkheden is het pure Lust for Life à la Iggy Pop die hen vooruit stuwt.
Verveling, nieuwsgierigheid en soms gewone geilheid dwingt de pubers tot malle en gevaarlijke experimenten. Gruwelijk is de scène waarbij de meisjes sliploos op een viaduct gaan staan, vreselijke ongelukken zijn het gevolg. Of ze spelen een spel waarbij er eentje moet raden wat er in anus of vagina wordt gepropt: een slak, een fietspomp, een zakmes, een wesp, een tampon, een ijspegel. Wanneer een van de acht tijdens een spel overlijdt, is dat geen reden om te stoppen. ‘Femke was dood’, zegt een van hen, ‘Niet het leven’.
Het is allemaal een graadje heftiger dan in het MTV-programma Jackass, waarin jongens voor de gein hun billen bijeen laten piercen, of in een winkelwagentje de zwarte piste nemen. Het is zinloze humor, die voortreffelijk illustreert wat het kapitaal van de jeugd is: lef, hormonen en een sterk lijf.
De verteller van deze geschiedenis is een slimme, niet onsympathieke jongen. Hij leest veel. Moeiteloos weet hij Age of Empires (computerspel), LCD Soundsystem (popband) en Karl Popper (filosoof) in één zin te noemen, zonder dat het gekunsteld aandoet. Alle eer voor Peeters en Van Bael , die op een volstrekt vanzelfsprekende manier hun kennis van jeugd en jeugdcultuur inzetten.
Het verhaal gaat verder, huiveringwekkend en bijna grotesk, ware het niet dat het zo overtuigend is. Via computerspelletjes weten deze Titaantjes hoe ze een bedrijf moeten runnen. Goedgebekte meiden prostitueren zich en hebben daar geen enkele moeite mee. Ze zijn wreder dan klassieke schikgodinnen.
Ze dagen een zelfmoordenaar uit naar beneden te springen en filmen dat met hun mobieltjes. Muziekje eronder en hup, op YouTube. Het is niet iets van deze tijd, die onbarmhartige trekken van jongeren. Het is altijd zo geweest. Tomas Lieske schreef er over in zijn recente novelle Een ijzersterke jeugd. Die situeerde zijn verhaal in de vorige eeuw. De redeloze agressie, die wreedheid en onbekommerdheid bestaan gewoon. Het geweten is onontwikkeld, het puberbrein bevat nog kale plekken. Tieners kun je hun rol als sirenen dus niet eens kwalijk nemen. ‘Roofvissen’, noemt Peeters hen, ‘in het water der volwassenen’. En zo is het, waarmee Wij onontkoombaar en dwingend is en dagenlang doorspookt in je hoofd. Al die scènes, soms geestig, raak, luchtig of vreselijk. Geen puber is meer als voorheen.
Met Wij laat Elvis Peeters opnieuw zien een consequente denker te zijn. Ook sijpelt wederom iets van werkelijkheid de tekst binnen – grover, nadrukkelijker en genadelozer dan je doorgaans verneemt via krant of journaal. Wij intensiveert de waarneming, verruimt de blik en biedt het beste wat je van literatuur mag verwachten.
Mark Cloostermans, De Standaard, 3 april 09
In Wij, de derde roman van Elvis Peeters, ontwikkelt een groepje tieners zich tot een seksbedrijfje. Zeven hoogtepunten uit een amorele roman.
1 Moord met de vagina
Wij mist zijn start niet. In de eerste bladzijden gaan enkele tienermeisjes aan een viaduct staan en tonen hun vagina’s aan de passerende automobilisten. Het is de bedoeling een ongeval te veroorzaken. Dat gebeurt ook. Met één dodelijk slachtoffer.
2 Liaisons dangereuses
Nadat ze de macht van hun vagina ontdekt hebben (’Is het mogelijk dat onze kutten dit hebben veroorzaakt?’), besluiten vier meisjes en vier jongens, weldoorvoed en welopgevoed, geld te slaan uit de mogelijkheden. De jongens creëren de omstandigheden, de meisjes verkopen. Te weten: zichzelf.
Elvis Peeters maakt van zijn minderjarige pooiers en dito hoertjes geen eendimensionale personages. Er heerst in het afgelegen ’clubhuis’ van de groep een prettige, vriendschappelijke sfeer; je zou er haast bij willen zijn. Het alledaagse vloeit soepel over in het grensoverschrijdende: ’Ena kon haar kut zo manipuleren dat ze een geishaballetje weer kon uitspuwen. We lachten en losten samen haar opdracht wiskunde op.’
Humor is nooit ver weg in dit stadium van het boek. Zo voelen de jongens zich helemaal niet schuldig voor het werk dat hun vriendinnen uitvoeren; ze worden integendeel jaloers op de meisjes. Die hebben namelijk zoveel seks als ze zelf willen, terwijl de jongens er de ’relationele administratie’ bij moeten nemen.
3 Moord met de ijspegel
Het kliekje begint uit elkaar te vallen na een seksueel experiment dat Femke het leven kost. Saillant detail: het moordwapen is een ijspegel, die al in de inleiding vermeld wordt. Daar symboliseert hij de onschuldige kinderjaren van een van de jongens.
4 Wesp
Wie denkt dat je met de vaginamoord het heftigste moment uit de roman hebt gehad, zit er lichtjaren naast. Kort nadien wordt een geïrriteerde wesp losgelaten op schaamlippen en tepels.
Peeters zoomt trouwens wel vaker in op de natuur. De maan hangt in haar verschillende gestalten boven de gebeurtenissen, de wind ritselt in het maïs, een uil vliegt twee keer door het beeld. Er gaat een zomerse loomheid uit van Wij, die de lezer telkens weer in slaap wiegt - zodat Peeters des te harder kan toeslaan met nieuwe perverse ideeën en verontrustende wendingen.
5 Abortus
Onvermijdelijk moet een van de meisjes vroeg of laat zwanger worden. Min of meer met de instemming van de aanstaande moeder gaan de jongens haar buik te lijf met hun vuisten. ’We maakten grapjes, we zullen een mooi figuur slaan.’
Nee, Wij is niet voor gevoelige zielen. Om de pil te vergulden, doorspekt Peeters zijn karige proza met mooie, rake zinnen. ’Als de liefde afgelopen is, wie ben ik dan om haar weer op te winden?’ vraagt hij, met een woordspeling. Elders: ’We bewogen ons als roofdieren in het water der volwassenen, ze hadden niets door.’
6 Zelfmoord
Wij speelt zich nadrukkelijk in het hier en nu af. Peeters recycleert onder meer een nieuwsfeit uit 2008, toen een Britse zelfmoordenaar door het toegestroomde publiek werd aangespoord om te stoppen met aarzelen en van het dak te springen.
7 Koperdieven
De auteur laat het er éven op lijken dat de groep definitief het criminele pad zal opgaan, door hulp te verlenen bij een koperdiefstal. Maar na afloop verlinkt de groep de dieven bij de politie.
De ’wij’ uit de titel bewandelen een eigen pad, tussen de brave burgers en de criminelen door. Vandaar dat je dit geen immorele roman kunt noemen: er komt geen moraal aan te pas. Peeters weigert ook, zeer verstandig, om het verhaal af te ronden. De laatste zin, ’De wereld ligt aan onze voeten’, echoot de allereerste: ’Wij zijn vrij.’ Dat zou wel eens kunnen kloppen: de tieners hebben zich intussen ontwikkeld tot wereldwijze opportunisten. Ze maken een goede kans om het te maken. Dat is misschien, na alle chills and thrills, het griezeligste moment in deze roman. Een aanrader.
Johny Lenaerts, Ya Basta, 16 april 09
We leven in een tijd die door Marx gekenmerkt werd als een tijd van algemeen verval, van universele koopbaarheid. En nu schildert ons Elvis Peeters, in zijn nieuwste roman ‘Wij’, een vriendengroepje – vier meisjes, vier jongens – dat een seksbedrijfje ontwikkelt, waar we op microschaal de hedendaagse wereld in kunnen herkennen.
Gsm en sms, iPod en YouTube, laptop en magnetron zijn er dagelijkse gebruiksvoorwerpen, shoppen en hacken geliefkoosde bezigheden. Het is alsof Elvis Peeters de MTV-jongeren een spiegel voor wil houden: tederheid of verleiding kent men er niet, en liefde al helemaal niet. Ze vervelen zich. Ze dolen rond, maar ze worden niet verteerd door het vuur. (Elvis Peeters schreef eerder een verhalenbundel met als titel: ‘We dolen rond door de nacht en worden verteerd door het vuur’.) Ze lijken ontsnapt uit ‘Temptation Island’, ‘Expeditie Robinson’ en andere avatars van ‘Big Brother’. Ze vergapen zich aan de ‘Cloaca’ van Wim Delvoye. Hun leven is ontzield, ze zijn enkel nog lichaam – lichamen gereduceerd tot dingen. Je bestaat niet als je niet gefilmd wordt, al was het maar door een gsm. Hun lust is van elke passie ontdaan, ze lijkt niets méér dan geestdodende vrijetijdsbesteding, ze is afgestompt.
Ik stel me voor dat Pasolini deze roman met veel interesse zou gelezen hebben. Had hij niet de vrije moraal, die sedert de jaren zestig algemeen goed geworden was, ontmaskerd als een gadget dat toegestaan werd door ‘de consumptieve machten, door het nieuwe fascisme’? De ontsluiering van de seksualiteit had volgens hem rechtstreeks geleid tot de voorspelbare, onontkoombare vercommercialisering ervan. Elvis Peeters toont ons meisjes en jongens die onderling inwisselbaar zijn – maar steeds zijn het de meisjes die zich als hoer verkopen, en de jongens die de buit opstrijken. Ze leven temidden van hedendaagse mensen met ‘los-vaste relaties’, met kinderen die ‘zelfstandig’ zijn, ze hebben een ‘project’. Ze leven in een tijd waarin porno een ‘lifestyle’ geworden is. Ze zijn voortdurend onderweg, van feest naar evenement – ‘op zoek naar producten met een gleuf in het midden’.
De dood van een meisje, tijdens één van de gevoelsarme seksspelletjes, lijkt een toevallige gebeurtenis, maar zet iets in beweging, dat zal uitlopen op een orgie van geweld, waar een sardonisch gelach overheen klinkt.
Elvis Peeters was in de jaren tachtig frontman en tekstschrijver van de rockband ‘Aroma di Amore’, hij staat regelmatig op het podium met literaire concerten. Vorig jaar werd hij opgemerkt met zijn poëziedebuut: ‘Dichter’ (Uitgeverij Podium, Amsterdam). Sinds 1992 verrijkt hij het literaire landschap met een stroom verhalenbundels. Zijn vorige roman, ‘De ontelbaren’, stond in 2006 op de shortlist van de Libris Literatuurprijs. Maar met deze roman – zijn derde – overtreft hij de stoutste verwachtingen. Een bijwijlen schier onverdraaglijke, maar noodzakelijke roman. Een afdalen in de hel van de ongebreidelde lust.
Jos van Heck, Boek, maart 09
Tijdens het lezen van ‘Wij” van Elvis Peeters ben ik diverse keren opgestaan uit mijn stoel: Zou dit echt voorkomen? Bestaat dit? Jongeren die zo extreem met elkaar omgaan? ‘Wij’ verwijst naar 8 jongeren die, niet gehinderd door ouderlijk toezicht, helemaal zelf de grenzen van hun leven bepalen. Ze doen elkaar en anderen de meest verschrikkelijke dingen aan en het wordt van kwaad tot erger. Het boek opent met een actie die doet denken aan die tegelgooiers boven autowegen. De 8 ontaarde jongens en meisjes uit dit boek hebben daar een variatie op bedacht: de meisjes staan met omhooggehouden rokjes en ontblote onderlijven op de brug naar automobilisten te zwaaien, terwijl de jongens op afstand staan toe te kijken. Er gebeurt een verschrikkelijk ongeluk. Dat wordt nog gauw met de mobieltjes vastgelegd en dan is het wegwezen. Hun Sodom en Gomorra is een verlaten schuur. Daar proberen ze de seksuele technieken uit die ze kennen uit pornofilms, waarbij alle grenzen van moraal, hygiëne en pijn in volledige eensgezindheid worden overschreden. Thuis komt niemand ergens achter: ‘We bewogen ons als roofvissen in het water der volwassenen, ze hadden niets door.’ Ouders hebben het te druk met hun nieuwe partners of met zichzelf. Deze kinderen van het kwaad hebben zelfs geen ontzag voor de dood. Bij een weerzinwekkend seksueel spelletje komt een van hen om het leven. Ze komen ermee weg. Geen wonder dat een hunner de conclusie trekt dat hij zelfs de dood aankan. ‘Wij’ is zo grof geschreven dat je je als lezer afvraagt waar je in godsnaam mee bezig bent. Maar ik heb mijn ogen en oren in de afgelopen decennia goed open gehad. Ik ken ook kinderen met een schuur en weet dat porno voor heel veel jongeren net zo gewoon is als Ivanhoe vroeger voor mij. Dit boek is een snoeihard en doeltreffend portret van kinderen die spelen op de vuilnisbelt van de verveelde welvaartstaat. Lees en huiver.