Elvis Peeters

Persreacties


De liefde komt vanzelf

Jeroen Overstijns, Standaard der Letteren 1999

Een dik boek zal Elvis Peeters wellicht nooit schrijven. Daarvoor is zijn taal veel te uitgepuurd, en zijn zijn verhalen te minimalistisch getoonzet. Door alleen het hoogstnodige te vertellen wordt de lezer veel meer een sfeer overgebracht dan een ontwikkeling, beelden en gevoelens veel meer dan een geschiedenis. Elvis Peeters publiceerde in 1992 en 1995 al twee om ter dunste verhalenbundels en vorig jaar verscheen zijn romandebuut Spa. Het net verschenen Brancusi is dus Peeters’ derde bundel. Daarin staan twaalf teksten, in lengte variërend tussen een halve en twintig bladzijden, waar Peeters’ archetypische, vage personages de persoonlijke tragiek van hun eenzaamheid bevechten. Ze worstelen met de liefde maar willen dat het liefst van al niet gezien hebben.

Die eenzaamheid vult hun hele bestaan. De dramatiek krijgt vrij spel, alsof er niets anders is om zich aan te laven. De personages binden zich wel eens, maar eerder uit fatalisme dan uit grote passie: "Er zijn honderden redenen om van iemand te houden... maar uiteindelijk is er slechts één reden en die is dat er niets anders opzit." Vertellers hebben in deze verhalen vaak geen naam, maar ze bepalen wel het uitzicht van het boek. De teksten draaien rond wat, maar minstens evenveel rond hoe iets geobserveerd wordt. Het mooie openingsverhaal ’Jazz’ heeft schijnbaar een vrouw en een haar tot striptease dwingende man als centrum, maar eigenlijk is de hoofdrol weggelegd voor de verteller en de manier waarop hij als ’toevallige voorbijganger’ de gebeurtenissen registreert. Juist in de tragische blik van de buitenstaander-verteller schuilt vaak de dramatische motor van de verhalen. In hun vertellen broeit een drang naar een niet-bestaan, een leven dat bevrijd is van emoties. ’Dat is reizen, je nergens mee bemoeien’, zegt de verteller van ’De Chinese muur en andere verhalen’, ’Hoe lichter je hart, hoe gemakkelijker je tred,’ Maar in deze dwaze drang komen hun emotionele wonden nog duidelijker naar voren, en vertellen vertellers meer dan ze zelf willen prijsgeven.

De vraag naar het engagement van de schrijver eist in Brancusi een duidelijke plaats op. Al op de eerste bladzijde van de bundel heet het dat er voor een denker weliswaar niets gemakkelijker is dan schrijven, ’maar de tijd wacht niet. ... het handelen dat wordt uitgesteld, verdort met de tijd.’ Het licht pathetische ’Verklaring’ begint met een glorieus statement van een gelukkige schrijver: ’Ik maak de kunstwerken die ik wil. Ik heb geen last van censuur. Ik maak deel uit van een maatschappij die in haar beginselen tolerant is tegenover welke kunst dan ook.’ Maar de lofzang op de eigen positie verkrampt tot een besef dat de kloof tussen kunst en wereld tegelijkertijd een hopeloze zaak is: ’Hij werkt in de haven. Ik schrijf en tekst over een geëngageerde havenarbeider.’ In dat besef wordt de kunstenaar en evenzeer van handeling verstoken mens als de personages uit de andere verhalen. De verteller van ’Irma, Irma’ zegt over het juk van zijn persoonlijke passiviteit: ’Ik beschikte slechts over de ideeën waaraan ik dacht. En vaak dacht ik helemaal niets. Of ik dacht de dingen zo vaag dat het handelen ter hulp moest komen. ’ De kunstenaar is zich misschien duidelijker dan andere personages bewust van zijn zwakheid, maar dat inzicht brengt hem helaas weinig soelaas. In de slottekst ’Beste luisteraars’ klinkt het bijna cynisch: ’ Wat we nodig hebben is informatie. De liefde komt vanzelf. Wij leggen niemand een strobreed in de weg. De mens is vrij.’

Er lopen in Vlaanderen niet veel veronachtzaamde schrijvers rond. Maar Elvis Peeters is een van hen. Peeters’ literaire verbeelding van deze wrange, emotioneel uitgeklede wereld vol onderhuidse dramatiek verdient meer aandacht dan ze krijgt. Over deze minimale verhalen zou je veel meer willen zeggen, maar het is door die sterke suggestiviteit en minimale opzet heel moeilijk om ze op een overtuigende manier te parafraseren. Alleen heeft die uitgebeende stijl ook zijn grenzen. Elvis Peeters valt nog steeds erg gemakkelijk terug op het effect van die suggestiviteit, en de werking van dat effect is toch in zekere mate eindig. Elvis Peeters kan soms met heel rake zinnen onderhuids een mooie dramatische spanning opbouwen. Soms blijft hij echter hangen in maniërisme en gratuite dramaturgie genre: ’hij knipte mijn kaartje. Naast de spoorlijn lag een opengerete geit.’ Het titelverhaal bijvoorbeeld vind ik daarom minder geslaagd. Personages tasten elkaar vanop afstand af in eenzame monologen maar die spanning wordt niet door iets concreets hard gemaakt. Maar ook waar het ietsminder vlot loopt, hebben de verhalen van Elvis Peeters een heel eigen gezicht, een gezicht dat best in wat meer exemplaren in de boekhandels zou mogen liggen. In weerwil van wat de auteur zelf beoogt misschien, want zoals de kunstenaar in ’Verklaring’ stelt: ’Blijft de kunst bestaan, mijn oproep om haar af te schaffen eveneens.’

Beginpagina > Literatuur > Brancusi > Persreacties
design by {yichalal}